Meldingsplichtige en van vergunning vrijgestelde handelingen » lees verder

Op voorstel van Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters, keurde de Vlaamse regering recent twee belangrijke besluiten bij de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening goed. Enerzijds het besluit dat de handelingen vastlegt waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Anderzijds het besluit dat de handelingen vastlegt waarvoor de vergunningsplicht vervangen wordt door een meldingsplicht. De besluiten treden in werking op 1 december 2010.

Beide besluiten houden zowel voor overheden, burgers als bedrijven (systeem van de ‘enige vergunning) een belangrijke administratieve vereenvoudiging in. Wie een kleine ingreep aan zijn woning wil doorvoeren, kan dat nu sneller en met minder administratieve rompslomp.

Belangrijk om op te merken is dat er bij elke vrijstelling of melding nog heel wat randvoorwaarden gelden. Ruimtelijke ordening blijft immers een complex gegeven. De geldende stedenbouwkundige voorschriften kunnen verschillen van perceel tot perceel en ook lokaal kunnen uitzonderingen bestaan op de vrijstelling en de meldingen. Gemeentelijke RUP’s of verkavelingsvoorschriften die afwijken van deze meldingsplicht of vrijstelling blijven onverkort van kracht. Ook andere wetgeving, bijvoorbeeld op het vlak van natuurbehoud of monumentenbescherming, blijven onverkort van kracht. Burgers met vragen worden dus best geadviseerd om zich voor de start van de werken bij de gemeentelijke bouwdienst te informeren. Dat voorkomt problemen en betwistingen achteraf.  

Besluit meldingsplichtige handelingen

Algemeen

De meldingsplicht is een nieuwe procedure – de melding voor zorgwonen buiten beschouwing gelaten. Ze werd reeds ingevoerd door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, maar het was nog wachten op de exacte lijst van handelingen. Met dit besluit wordt nu vastgelegd welke handelingen precies vallen onder deze meldingsplicht.

Belangrijk om op te merken is dat dit besluit niet alleen een vereenvoudiging inhoudt voor mensen die iets willen veranderen aan hun woning, maar ook voor bedrijven. Zo zal voor de uitbreiding of verbouwing van bestaande bedrijven in industriegebied een melding volstaan op voorwaarde dat er voor de uitbreiding of verbouwing al een milieuvergunning is verleend. Met dit systeem van ‘enige vergunning’ wordt de dubbele procedure van milieu- en stedenbouwkundige vergunning vermeden.

Welke handelingen?

Bijgebouwen (veranda, garage, etc.) oprichten die aangebouwd zijn aan de woning op voorwaarde dat:
  • totale oppervlakte van alle op het perceel aanwezige bijgebouwen is niet groter dan 40m2;
  • hoogte is beperkt tot 4 meter;
  • geen vergunningsplichtige functiewijziging;
  • aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;
  • gebouwen geplaatst in de zijtuin (tot op 3 meter van perceelsgrenzen) of in achtertuin (tot op 2 meter van perceelsgrenzen. Mag ook op perceelsgrens indien hoofdgebouw op perceelsgrens staat en bouwdiepte van aanpalend gebouw niet wordt overschreden.

Handelingen met stabiliteitswerken binnen in de woning op voorwaarde dat er geen vergunnings-plichtige functiewijziging wordt doorgevoerd en het aantal woongelegenheden ongewijzigd blijft.

Handelingen met stabiliteitswerken aan zij- en achtergevels en daken op voorwaarde dat er geen vergunningsplichtige functiewijziging wordt doorgevoerd, het aantal woongelegenheden ongewijzigd blijft en het bouwvolume en bouwoppervlakte onveranderd blijft.

Verbouwing of uitbreiding van een industrieel of ambachtelijk bedrijf, gelegen in industriegebied in de ruime zin op voorwaarde dat:

  • voor de inrichting is een milieuvergunning klasse I of II en de gebouwen zijn in het aanvraagdossier van de milieuvergunning reeds vermeld;
  • industriële of ambachtelijke functie verandert niet;
  • er wordt geen bedrijfswoning gecreëerd;
  • uitbreiding maakt fysisch geïntegreerd deel uit van het bestaande complex;
  • geen ontbossing nodig of inname van bufferzones;
  • niet hoger dan 10 meter;
  • niet hoger dan afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen;
  • afstand tot zijdelingse en achterste perceelsgrenzen is minimum 3 meter.
Uitzonderingen en geldende bepalingen

Deze bepalingen gelden niet indien ze strijdig zijn met voorschriften van geldende stedenbouwkundige verordeningen, RUP’s, plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen.

Deze bepalingen gelden niet als het gaat om beschermde monumenten, beschermde landschappen, efgoedlandschappen, beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologische monumenten, oeverzones afgebakend in een (deel)bekkenbeheersplan, … .

Deze bepalingen gelden niet in de ruimtelijk kwestbare gebieden. Deze bepalingen gelden niet voor handelingen uitgevoerd voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook. Belangrijk is ook te benadrukken dat de meldingsplicht mensen ook niet ontslaat van de verplichting een architect te betrekken indien nodig. De geldende regels op dit vlak blijven onverkort van kracht.

De lokale overheid kan met een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bepaalde meldings-plichtige handelingen opnieuw vergunningsplichtig maken. In dat geval primeert de lokale regelgeving.

Procedure

De bouwheer moet de handelingen aan de gemeente ‘melden’ met een vastgesteld formulier, samen met een beperkt dossier. 20 dagen na de melding mag hij de werken starten. De werkzaamheden moeten binnen de twee jaar na de melding gestart zijn.
De gemeente is niet verplicht te reageren op een melding, ook al is dat wenselijk vanuit de principes van behoorlijk bestuur. Een onterechte melding doet geen rechten ontstaan. Handelingen die vergunningsplichtig zijn, alleen maar melden en daarna zonder meer starten met de werken is een stedenbouwkundige inbreuk waartegen kan worden opgetreden.

Besluit van vergunning vrijgestelde handelingen

Algemeen

Er bestond reeds een besluit dat de handelingen vastlegde die vrijgesteld waren van stedenbouw-kundige vergunning. Dit besluit heeft nu een grondige facelift gekregen en is afgestemd op het besluit van de meldingsplicht. Het vrijstellingsbesluit is hierbij gemoderniseerd, vereenvoudigd en het aantal vrijstellingen flink uitgebreid, zeker voor werken in achtertuinen en aan de achterkant van woningen.

Voor de oprichting van installaties en andere constructies dan gebouwen in industriegebied geldt ook hier het systeem van de ‘enige vergunning’. Indien hiervoor reeds een milieuvergunning werd verkregen, is een bijkomende stedenbouwkundige vergunning niet nodig.

We beperken ons hier tot de belangrijkste bepalingen. De volledige lijst van vrijgestelde handelingen vindt u in het besluit zelf. Deze verschillende handelingen zijn gebonden aan een aantal specifieke voorwaarden. De volledige opsomming van deze voorwaarden vindt u geval per geval in het besluit zelf. Hieronder beperken we ons tot de belangrijkste.

Welke handelingen?

Handelingen aan zij- en achtergevels en daken zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume.

Plaatsen van zonnepanelen of zonneboilers op een plat dak, tot maximaal 1 meter boven de dakrand, en zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het hellende dakvalk.

Plaatsen van niet-overdekte constructies (zwembad, tuinvijver, terras, … ) tot in totaal maximaal 80m2 per goed in zij- en achtertuinen tot op 1 meter van de perceelsgrenzen.

Optrekken van niet voor verblijf bestemde bijgebouwen, vrijstaand van het hoofdgebouw (carport, garage, tuinhuis, poolhouse, … ) op voorwaarde dat:

  • totale oppervlakte van alle vrijstaande bijgebouwen per goed beperkt is tot 40m2;
  • hoogte is beperkt tot 3 meter;
  • gebouwen geplaatst in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 1 meter van de perceelsgrenzen. Mag ook op perceelsgrens als ze tegen bestaande scheidingsmuur worden opgericht en scheidingsmuur wordt niet gewijzigd.

Plaatsen van installaties en andere constructies dan gebouwen in industriegebied in de ruime zin op voorwaarde dat:

  • voor de inrichting, met inbegrip van de installaties of constructies is een milieuvergunning klasse I of II verleend;
  • staat in functie van de industriële of ambachtelijke bedrijvigheid;
  • opgericht binnen een straal van 30 meter van bestaand gebouw;
  • hoogte is beperkt tot 10 meter;
  • minstens op 3 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen:
  • niet gelegen voor de rooilijn.

Uitzonderingen en geldende bepalingen

De geldende wetgeving op vlak van onder andere beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites blijft onverkort van kracht.

Deze bepalingen gelden niet indien ze strijdig zijn met voorschriften van geldende stedenbouwkundige verordeningen of met de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen, RUP’s, plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen.

Voor elke vrijgestelde handeling die vermeld is in het besluit, gelden specifieke randvoorwaarden. Deze voorwaarden zijn terug te vinden in het besluit.

Concrete voorbeelden

Voorbeeld 1: Gerda Geerts wil in haar achtertuin een vrijstaand tuinhuis plaatsen. Momenteel heeft ze nog geen andere constructie in haar achtertuin staan. Het vernieuwde vrijstellingsbesluit maakt het voor haar mogelijk om zonder stedenbouwkundige vergunning én zonder melding een tuinhuis te bouwen dat 40m² groot is. Naast de maximale oppervlakte moet ze ook rekening houden met een maximale kroonlijsthoogte en uiteraard de bestaande regelgeving met betrekking tot de afstand tot de perceelgrens respecteren.

Voorbeeld 2: Peter Geerts, wil aan de achterkant van zijn woning een veranda bouwen. Ook hij heeft nog nooit eerder een uitbreiding van de woning gerealiseerd. Hij denkt aan een veranda van 30m². Om deze te mogen plaatsen, volstaat het dat hij zijn plannen meldt aan de gemeente.

Voorbeeld 3: Familie Smeets – Timmermans droomt al jaren van een zwemvijver in de tuin. Momenteel hebben ze al een kleine siervijver van 15m² en een tuinhuisje van 20m². Hun plannen hebben betrekking op het aanleggen van een zwemvijver van 50m² en het bouwen van een poolhouse van 20m². Vermits in beide gevallen de totale oppervlakte wordt gerespecteerd (40m² gebouwen, 80m² niet overdekte constructie), kunnen ze zonder meer aan de werkzaamheden beginnen.

Voorbeeld 4: Het bedrijf van Annemie Smets beschikt over de nodige vergunningen voor het opslaan van hout in loodsen. Met de groei van het bedrijf groeit ook de noodzaak aan meer opslagcapaciteit. Mevrouw Smets wil een nieuwe loods optrekken op hetzelfde perceel waar reeds twee loodsen staan. Indien ze hiervoor de nodige milieuvergunningen krijgt, volstaat een melding aan de gemeente voor wat betreft het optrekken van de nieuwe loods.

Relatie tussen lokale stedenbouwkundige voorschriften en besluiten

Voor lokale besturen blijft er voldoende marge om een eigen ruimtelijk ordeningsbeleid te voeren:

De provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die werden vastgesteld vóór 1 september 2009 en die op grond van de vroegere regelgeving, een vergunningsplicht hebben ingevoerd voor handelingen die nu van vergunning worden vrijgesteld, blijven geldig tot ze worden opgeheven. De verordenende overheid kan na 1 september 2009 nog wijzigingen aan deze stedenbouwkundige verordeningen aanbrengen binnen onderstaande marges.

Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen:

  • de vergunningsplichtige handelingen aanvullen;
  • voor meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht invoeren;
  • voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht invoeren. 

Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht. Zij kunnen vergunnings- of meldingsplichtige handelingen niet vrijstellen van de vergunnings- of meldingsplicht.

Belangrijk om op te merken is dat ook aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening recent wijzigingen zijn doorgevoerd die een impact hebben op de vrijstellingen. De vrijgestelde handelingen zullen – na inwerkingtreding van de Codex later dit jaar – niet langer als strijdig worden beschouwd met gewest-plannen, gewestelijke en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen. De gemeenteraad kan in een verordening een gelijkaard principe invoeren voor (delen van) bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke RUP’s en verkavelingen.  

Meer informatie?

Beide besluiten vindt u op de websites www.rwo.be en www.ruimtelijkeordening.be. Samen met de besluiten vindt u er ook het verslag aan de Vlaamse regering. Dat verslag geeft verduidelijking bij de beide besluiten en vormt de ruggengraat voor een handleiding die op diezelfde websites terug te vinden zal zijn. Die handleiding zal systematisch worden aangevuld op basis van ervaringen op het terrein.